Bandit — mijn eerste hond, mijn grootste afscheid
- Rianne Gerrits

- 27 feb
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 24 mrt
In Drie zielen op vier poten vertelde ik al kort over Bandit, mijn eerste hond. Pas nu — bijna twee jaar na zijn overlijden — voel ik dat ik meer kan delen. Over wie hij was. En over hoe ik afscheid van hem nam.
De energrootste reu van het nest
Bandit kwam van een boerderij in Swalmen, waar een Tervuerense herder over het hek was gesprongen naar de buren met een Bouvier de Flandres. Hij was de energrootste reu van het nest. Enorme slungelige poten, een zware blaf en een uitstraling die niet paste bij zijn puppyleeftijd. Als iemand aanbelde, leek het alsof er een volwassen herder achter de deur stond. En dan kwam er een karamelkleurige pup vrolijk de hoek om gerend.

In Bandit zat geen grammetje kwaad. Zijn trouwe bruine ogen, omlijnd met zwart alsof hij eyeliner droeg, waren een blik om verliefd op te worden. Hij had een grote moedervlek op zijn tong, waardoor het soms leek alsof er iets vastzat. Een imposante hond, met een forse bouw — dat Bouvier-bloed was zichtbaar.
Met tien weken was hij zindelijk. Met twaalf weken liep hij los. Een actieve pup met een enorme will to please. Mensen zeiden dat ik geluk had gehad. En dat had ik ook.
Fratsen en kracht
Ik kan een boek schrijven over zijn streken. Onder hekken door kruipen om achter paarden aan te rennen. Achter de bezem aan jagen als mijn moeder aan het vegen was. Takken verzamelen — los én vast — en ze op een hoopje leggen alsof hij een eigen bouwproject had. En aan de overkant van mijn woning lag een voetbalveld. Bandit had de gewoonte om achtergelaten ballen mee naar huis te nemen. Die verzamelde hij alsof het trofeeën waren.
Hij bleef groeien. Drie maanden. Acht maanden. Een jaar. Twee jaar. Uiteindelijk stopte de harige fluffball bij 42 kilo liefde.

Voor zijn derde levensjaar werd hij aangevallen door een andere hond. Daarna begon het uitvallen. Het kostte me maanden training, geduld en vertrouwen om hem weer stabiel te krijgen. Hij schrok van alles, zelfs van plastic hero-zakken langs de straat. Toen hij later opnieuw werd aangevallen, kreeg ik de agressie er niet meer uit. Castratie werd afgeraden; angst zou het kunnen overnemen. En een angstige hond van 42 kilo uitlaten? Dat kan onmogelijk zijn.
Maar naar mensen toe was hij zacht. Liefdevol. Beschermend. Zowel bekend als onbekend, baby's of bejaarden - voor Bandit was er geen onderscheid. Hij hield van alle mensen evenveel. Het enige wat er te vrezen viel, waren harige kleding en teveel knuffels.
Mijn constante factor
Bandit was gezond. Sterke genen. Buiten de puppyvaccinaties zag hij zelden een dierenarts. Er werd me gezegd dat hij vanwege zijn grootte misschien acht jaar zou worden. Hij werd twaalf.
Ik kreeg hem toen ik negentien was. Ik verloor hem op mijn eenendertigste. Hij was er tijdens verhuizingen, relaties, een jarenlange depressie, verlies van dierbaren, mijn overgang van school naar werk naar zelfstandig ondernemerschap. Hij lag aan mijn voeten, voor de deur, soms bovenop me in bed — al bleef hij daar nooit lang, want 42 kilo op je borst maakt ademhalen lastig. ;)

Hij kreeg vanwege gevoelige darmen alleen brokken en af en toe een knookje. Maar voor tonijnpizza deed hij alles. Die verliefde blik van hem — alsof hij wilde zeggen: “Ik heb de buikpijn ervoor over” — is één van mijn meest dierbare herinneringen.
De diagnose
Twaalf jaar na die eerste ontmoeting kreeg ik bij de dierenarts te horen dat hij uitbehandeld was. Een scan was niet mogelijk; narcose zou hij op zijn leeftijd waarschijnlijk niet overleven. Waarschijnlijk maagkanker. Ik had niet eens het gevoel dat hij pijn had. Maar Bandit was een bikkel. Hij zou het ook niet laten merken.
Ik heb een tatoeage op mijn onderarm van een kraai en een wolf. Die wolf werd vaak voor Bandit aangezien. Tijdens een van onze laatste wandelingen, langzaam, in het tempo dat hij nog aankon, landde er een kraai doelgericht naast hem op het veld tegenover mijn huis. Ik kan niet uitleggen wat er gebeurde, maar er ging een gevoel door me heen dat niet te negeren was. Ik kreeg een soort zekerheid; alsof ik ineens wist dat zijn laatste uren aangebroken waren. Niet omdat het logisch was. Maar omdat mijn lichaam het al begreep voordat mijn hoofd dat kon.

De laatste 24 uur
Ik maakte een afspraak voor euthanasie aan huis, de volgende ochtend. De mensen die hij twaalf jaar had mogen liefhebben namen afscheid. In die laatste 24 uur ging het snel. Mijn gevoel nam het over van mijn verstand. Ik begon hem energetisch te helen — iets wat ik nog nooit had gedaan, maar wat mijn lichaam me vertelde om te doen. Met strijkende bewegingen over zijn lijf, alsof ik eventuele pijn kon wegvegen. Misschien was het symbolisch. Misschien niet. Maar het bracht rust. Voor hem. Voor mij.
Hij wilde niet meer opstaan. Samen met mijn broer zette ik hem nog één keer op het veld voor de deur. Die nacht lag ik naast hem op de grond. Ik had ergens gehoopt dat hij in zijn slaap zelf zou gaan — zacht, vanzelf, zonder dat ik hoefde te kiezen. Dat leek me het mooiste afscheid. Maar toen de ochtend kwam, werden we samen wakker. Ik opende de balkondeur — zijn favoriete plek — en hij stond nog één keer op om daar te gaan liggen, op de deken die ik had neergelegd.
Klokslag twaalf ging de deurbel. Ik had twee kalmeringstabletten genomen om sterk te kunnen blijven. Normaal droeg hij bij de dierenarts een muilkorf, omdat hij bij pijn van zich af kon bijten. Ik benoemde dat risico, maar hij bleef rustig. Hij hoefde geen muilkorf om.

De eerste verdoving. Hij bleef inchecken bij mij. Zijn lijf was op, maar zijn hoofd nog helder. Alsof hij me nog moest beschermen. De tweede verdoving. Zijn ogen vielen half dicht, maar hij bleef alert. Na de derde verdoving vertelde ik hem dat hij mocht stoppen met waken. Dat hij mij niet meer hoefde te beschermen. Dat hij mij had gediend en dat het tijd was om aan zichzelf te denken. Toen sloot hij zijn ogen en viel in slaap. Pas daarna volgde de euthanasie-injectie.
Ik had altijd gedacht dat ik iets zou zien — zijn ziel die zijn lichaam verlaat, een teken, misschien zelfs een donderslag in de regen. Maar er was alleen stilte. Oorverdovende stilte. Toen de dierenarts zijn overlijden bevestigde, brak ik. Ik zakte op mijn knieën en huilde met een geluid dat diep uit mijn borst kwam, rauw en ongefilterd.
Rouw
Drie weken sliep ik bij mijn moeder. Ik miste het tikkende geluid van zijn nagels op de laminaatvloer achter me aan. Ik kon geen tonijnpizza meer zien. Zijn voetballen van het veld lagen nog thuis. Zijn riem hing nog waar hij altijd hing. Ik kon niet naar huis. De rouw was zwaar. Zwaarder dan ik ooit had gevoeld. Zwaarder dan die 42 kilo op mijn borst.

Bijna twee jaar later
Nu zijn we bijna twee jaar verder. Zijn riem heeft een permanente plek in de gang. In de woonkamer staat zijn foto, met daarnaast een afgesloten flesje met een pluk van zijn haar. Op de lijst staat: “You were my favorite hello and my hardest goodbye.”
Echte hondenliefhebbers zijn nooit klaar met houden van hun hond. Dat weet ik nu zeker.
Dit was mijn soulmate. En ik geloof dat we, in dit leven en het volgende, op zielsniveau verbonden blijven.
Ik mis je, maatje. En dat zal ik altijd blijven doen.



Opmerkingen